Het Geheim van de Jansje
 

Het geheim van de Jansje     

Bij het einde van dit jaar van herdenken, willen wij in een tijd,
waarin ook aandacht wordt geschonken aan de koffiemolen
uit grootmoeders tijd een ogenblik stilstaan bij een ouwe schuit.
Bedoeld is het m.s. "Jansje". Dit vaartuig ligt dag in dag uit in
de haven, zodat menigeen niet eens zal weten hoe oud dit
schip wel is. Er zullen nog maar weinigen zijn, die zich kunnen
herinneren, dat de "Jansje" voor de eerste maal de haven van
Maassluis binnenvoer. Dat was begin mei 1900. In 1899 was
het schip te Alphen a/d Rijn te water gelaten. Het schip werd
gebouwd op de werf van de heer A. Pannevis  en was voorzien
van een liggende één-cilinder viertakt Rennes, 24 pk.
Op 25 mei 1900 werd voor de "Jansje" te Rotterdam een
meetbrief uitgeschreven. Deze werd geregistreerd onder
nummer 1193. Het schip ging varen in de beurtdienst
Maassluis-Rotterdam v.v.

De ouderen zullen zich nu ineens weer de baaltjes meel en
de vaatjes bier herinneren, die werden aangevoerd. Doch ook
de jongeren zullen wel willen weten, hoe dat nu wel precies in elkaar zat.
Brood hebben wij immers allemaal nodig. En ook thans zeggen wij nog "het bier is weer best".

Nu, het bier was Amstel-bier, Heineken-bier, bier van Brouwerij d'Oranjeboom en van de Zuid-Hollandse Bierbrouwerij. Ook was er Dordmunderbier bij en Münchener-bier, echte Beierese import. Omstreeks midden december was er bockbier. Dan kwamen er mooie platen met rode linten.

Ook stonden de bloemetjes vaak buiten, doch dat was meer in het voorjaar, vooral tegen Pinksteren. Er was koffie bij voor de weduwvrouw. Thee van de weduwe Van Nelle ging naar Gerritje Stigter , weduwe Johannes van Heyst . Later werd dit adres Piet Don . Petroleum was er voor Pieter Simon , wel te verstaan Pieter Simon Warnaar . Er was natuurlijk nog veel meer. Bemande flessen, koehuiden, kapok- en verenbedden, goud- en zilverwerk, aardewerk, stenen, edelstenen en tichelstenen, schoorstenen, dakpannen, haardplaten, vlampijpen, ketels, cilinderblokken, drijfriemen, machinerieën, werktuigen, schoppen, touwwerk, vlaggendoek en zeildoek, ijzer, bandijzer, hoekijzer, rondijzer, staafijzer, stalen platen, stoelen, meubelen, dozen, spaanse dozen, rieten manden, karrebiesjes, vogelkooitjes, hoeden en petten, lompen, oud papier en zakken met beenderen - een zeer onsmakelijke uitvracht- zuidvruchten, vijgen, sinaasappelen, mandarijnen, krenten en rozijnen, noten, pinda's, balen suiker, kratten Victoriawater, borstelwerk, Brusselse aarde, zout, zeep en soda, trappen, regen- en zonneschermen, lampen, lantaarns, kompassen, oliegoederen, zink, plaatijzer, loden pijpen, emmers, teilen, pompen, asfaltpapier en spijkers.

Op de dinsdagavond en op de woensdag, op vrijdagavond en op zaterdag werd de schuit gelost. Dan waren de gildebroeders beschikbaar en stonden paard-en-wagen klaar. De ene na de andere werd opgeladen en weggereden. Dan werd "het kleine goed", zoals dat heette, thuisbezorgd. Al na gelang het adres en de wens van de ontvanger, voor de deur, in huis, gelijkvloers, dan wel op de zolder, vaak langs een moeilijk begaanbare trap, dan wel ladder omhoog. Zware voorwerpen, kachels, kisten en kasten, ook brandkasten, doch voor zover het adres een middenstander betrof, gebeurde het bezorgen dan wel in de nacht, want zoiets wilde de ontvanger niet graag gezien hebben. Alles moet worden betaald. Zo was er vaak een stapel papieren te vervoeren. Brieven zogenaamd. Van Straelen , tabakshandelaar, sigarenfabrikant en winkelier, betaalde met een kruiwagen vol centen.

In Rotterdam werd alles besteld en afgerekend. Met reuzenschreden werd door de stad gegaan. Van het ene adres naar het andere gelopen. Intussen voer de schuit op maandag en donderdag door de Rotterdamse havens. Vletwerk werd dan verricht en verschillende vemen bezocht om de uitgaande vracht af te geven: haring, kaas en asfalt. Ook kistjes wijn van Gebrs. Steur van 1828, onvervalste portwijn, geïmporteerd op fust, te Maassluis gebotteld, van kurken en etiketten voorzien, met rode lak verzegeld en in kisten verpakt verzonden naar de Oost.

Langs een touwladder, tegen het zeeschip op, ging men dan over de Lloydboot heen naar het rijkskantoor. Zodra het schip vrij was, ging onder toeziend oog van de douane-ambtenaar het lossen geschieden. Als kind vermaakten wij ons dan met de inlandse bemanning. Javanen en Chinezen.

Over het leven aan boord zou ook nog wel iets zijn te vertellen, doch dit is meer voor de familie. Het was een kleine ruimte, het vooronder met twee kooien en een stookgelegenheid, een tafel, banken en kasten. Onder de banken bevond zich oliegoed, dat werd aangedaan als het begon te regenen. Op de tafel stond de tabakspot en waren de pijpen te vinden, zo deze tenminste niet in de mond waren. Onder de tafel de broodkist, de knip zogenaamd met brood en boter en de suikerpot en een groot scherp mes. De oude schipper had een soort militaire kreet "berg-je". Hij woonde dan ook in de Schans, daar was hij ook geboren in 1845, op 24 mei. Toen de "Jansje" in gebruik genomen werd, was hij dus juist de dag daarvoor vijfenvijftig jaar geworden.

Daar destijds omtrent het in de vaart brengen van het schip niets werd gepubliceerd, volgt hier alsnog het verhaal hoe dit geschiedde. Wellicht is het beter te schrijven, dat verteld zal worden, wat er omheen gebeurde, voor zover ons dit dan uit de krant gebleken is. Mogelijk is er nog een lezer, die zich kan herinneren alles gezien en gehoord te hebben en wil die ook nog aan het woord komen. Zo iemand laat het maar weten. Wij willen het graag vernemen.

Op 27 mei 1899 verscheen in "Schuttevaer", de schipperskrant, de volgende advertentie:

Paviljoenschuit. Door verandering te koop: Een ijzeren paviljoenschuit, groot 50 ton, varende in de beurt Maassluis-Rotterdam. Te Rotterdam te zien Dinsdag- en Vrijdagvoormiddag. Noordblaak bij de Brug. Adres: Gebr. Van Baalen, Maassluis.

Het ging hier dus om een ijzeren schuit, een zeilschuit. De "Jansje" werd van staal en zou worden voortbewogen door een petroleum-motor, te leveren door Machinefabriek " Drakenburgh" te Utrecht. Dat was in die tijd iets zeer bijzonders. Beweerd wordt, doch de juistheid hiervan kan nog niet geverifieerd worden, dat de "Jansje" de achtste motor-beurtschuit is, die in de Rotterdamse buitenhavens en op de rivier te zien geweest is. Dit is heel goed mogelijk. Stellig is het een der eerste petroleum-motorschuiten geweest, die in de Hollandse en Zeeuwse stromen kon varen. Bij de proeftocht, omstreeks 8 mei 1900, is men ook buitengaats geweest, tot in zee.

De moeilijkheden, die voor het in de vaart brengen van deze schepen moesten worden overwonnen, waren vele. De motor moest gemakkelijk te bedienen zijn, licht van gewicht en weinig ruimte innemen. Dit alles met het oog op de kosten. Deze moesten zo laag mogelijk gehouden worden, daar de kosten van het vervoer tenslotte op de eindprijs van het produkt komen te liggen. In een tijd, waarin de meeste mensen het nog kalmpjes aan deden, de trekschuit nog niet geheel was vergeten, een zeer beperkte treinverbinding was er sinds 1891 op Rotterdam, ook voer er een stoomboot op die stad en wel sedert 1879, moest een kostenverhoging, die mogelijk tot besparing zou leiden, wel even nader worden bekeken.

Uitbreiding van de vissersvloot lag in het verschiet. Maar wie kan in de toekomst kijken? Men kan verwachtingen hebben. Van 1898 tot 1899 verminderde het aantal haringschepen van 81 op 71 en liep de bevolking terug met 95 zielen tot 7809 inwoners. Het volgende jaar begon deze evenwel te stijgen om voorlopig een maximum te bereiken in 1922: 11.213 inwoners. Daarna zette de daling in. Het minimum kwam aan het einde van 1939: 9130 inwoners. Doch hiermede zijn wij ver op ons verhaal vooruit gelopen. Interessant is het te weten, dat er in 1903 104 haringschepen in de vaart waren, 25 schokkers en 27 schepen voor paling- en zalmvisserij. Het totaal aantal vissersschepen  bedroeg zo 156. In 1899 was dit aantal 71.

Naast de kosten speelde het vermogen van de motor een belangrijke rol. De capaciteit moest voldoende zijn om tegen de zware getijdestroming in huiswaarts te kunnen varen, dan wel, bij veel afkomend water, naar boven, om tijdig, des morgens tussen zes en zeven uur, doch vaak eerder, om half vijf of een nog vroeger uur in de Rotterdamse havens rond te draaien.

In "De Ingenieur" verscheen in 1892 het bericht, dat in de Rotterdamse havens, aan het begin der zomer, omstreeks 24 juni (Sint Jan in de zomer) de petroleum-sloep "Vriesseveem" had rondgevaren. "Ten gevolge van haar verschil met ander stoomsloepjes een voorwerp van veler opmerkzaamheid" schrijft het blad deftig. De verwondering van het publiek, vooral de jeugd, was hierin gelegen, dat thans iets in het water voortbewoog, niet slechts zonder zeil, doch ook zonder staande schoorsteen waar rook uitkwam.

Vier jaar later, in 1896 kwam "De Ingenieur" met een nieuwe mededeling. "De heer D.W. van Rennes  te Utrecht heeft thans bij zijne petroleum-motoren voor de beweegkracht van schepen eene eenvoudige overbrenging gevonden, rechtstreeks werkende op de as, waardoor de riemen vervallen. Een dergelijk systeem was op eene boot aangebracht, waarmede den 15 April de fabrikant met 30 genodigden, allen eigenaar van petroleum vaartuigen, eene proefvaart maakte van Leiden uit langs de Wetering van Alphen. Alle deelnemers waren met die verbetering ingenomen."

De petroleum-motoren van de vaartuigen van de deelnemers aan deze excursie, die uiteraard uit propagandistische overwegingen werd ondernomen, waren zogenaamde Van Rennes staande diesel motoren. Met deze motor werd door de fabrikant regelmatig in "Schuttevaer" geadverteerd. Dat de naam Van Rennes niet is uitgegroeid tot een wereldnaam zal mogelijk verband houden met het feit, dat de fabrikant reeds in 1912 kwam te overlijden. Zijn motoren waren echter zo robuust en betrouwbaar dat velen bleven draaien tot in het dieseltijdperk.

Dit geldt dan speciaal voor de liggende Rennes, doch de staande zal niet minder geweest zijn.

Volgens de advertentie een olie-motor voor boten, pak- en zeilschepen, ijsbrekers en voor fabrieken. Een motor, die op DE tentoonstelling te Batavia bekroond was met een ere-diploma, de hoogste onderscheiding ! Verder: op een groot aantal pakschuiten met uitstekend resultaat op de vaart. Te bezichtigen, dan volgen een dertigtal firma's, gevestigd op onderscheiden adressen. De volgende plaatsnamen worden vermeld: Rotterdam, Schiedam, Delft, Den Haag, Scheveningen, Leiden, Katwijk, Noordwijk, Sassenheim, Haarlem, Amsterdam, Westzaan, Alphen, Breukelen, Utrecht, Deventer en Soerabaya.

Uit de namen, die bij de adressen behoorden, blijkt dat de motoren stonden in schepen, gebruikt in de binnenwateren, d.w.z.  in kanalen, vaarten, vlieten en weteringen. Aan dit gebruik was dan de goedkeuring van hoogheemraadschappen, waterschappen en veenpolders vooraf gegaan. Een bestuurlijke "rompslomp", waar vele gebruikers zich in die tijd van vrijhandel wel niet van bewust zullen zijn geweest.

"De Tijd zal 't leeren", "Broedertrouw" en " Rijnstroom" waren namen van schepen in die jaren. Ook heette een schip "Leven is strijd" een ander "Lis". Dat werd dan door de schipper weer vertaald in "Leven is strijd". Van een fleur de lys (lis) heraldisch franse lelie, zal destijds de een wel, de ander niet gehoord hebben. Sommigen vonden het op hun porcelijn. Wat had dit allemaal te betekenen? Zou het waar zijn?

"De goede verwachting" heette de kruidenierswinkel. "Ik moet het eerst nog zien gebeuren" zei de nuchtere klant.

De open rivier, de Nieuwe Maas, het Scheur en de Nieuwe Waterweg gold als een buiten rivier. Als zodanig vallende onder de Hollandse en  Zeeuwse stromen.

De overbrenging van de staande motoren geschiedde met "ruwhuid lederen drijfriemen", de meest zekere en vertrouwbaarste (sic, d.w.z. het staat er) overbrenging" meldt de advertentie.

Genoemde heer Van Rennes werd in 1890 in het Utrechtse adresboek genoteerd als fabrikant en winkelier van naaimachines en vervaardiger van werktuigkundige voorwerpen. Dat was in 1890. In dat jaar had ook de oprichting plaats van de N.V. Kon. Ned. Petroleum Maatschappij en wel op 16 juni 1890. Op 1 juni 1891 had te Breda de opening plaats van de miniatuur tram met petroleum-motor, lopende tot in het Mastbos. Een en ander volgens besluit van de gemeenteraad van Breda van 27 december 1890. Ook dat kwam in "De Ingenieur". De exploitant was "De Ginneksche Tramweg Maatschappij" en de tram ging rijden naar het Liesbosch. Ook hier vloeit het één weer voort uit het ander. Als het rond gaat krijgen wel allemaal een beurt. Rustig.

Het is duidelijk. Men was in Rotterdam, ook in 1892, in het jaar waarin de motor-sloep "Vriesseveem" werd geshowd, behoorlijk bij de tijd. Deze sloep was lang 9 meter, breed over het grootspant 2.30 meter en hol 1 meter en werd voortbewogen door een motor van 4 p.k.. Het motorvermogen van de "Jansje" was dus het zesvoudige, gelijk gezegd 24 p.k. De afmetingen van het schip bedragen: lang 22.13 meter, breed 4.35 meter en hol 1.60 meter. Het maximum laadvermogen bedraagt 73.371 ton. Het motorschip, geheel gebouwd volgens bestek en tekening, kreeg in tegenstelling tot de gewone pakschuiten, de sierlijke lijnen van een jacht. Dit valt niet te verwonderen, indien men bedenkt, dat in latere tijd op de betreffende werf vele zeevarende jachten zijn gebouwd, doch hierover later meer.

De "Jansje" was aanvankelijk okerkleurig grijs geschilderd. De kleur kwam overeen met de Lloytboten. Trouwens deze schepen vervoerden ook "mail". Men onderscheidde mail- en packet-boten.

Hoe de "Jansje" aanvankelijk gekleurd was toont ons een foto. Op deze foto ziet men het schip geheel alleen liggend in de Blaakhaven te Rotterdam. Op de achtergrond het postkantoor. De foto zal genomen zijn op een donderdag. Dan was het weinig druk in deze haven. Op dinsdag, de marktdag in Rotterdam, was het daar bijzonder bedrijvig. De schepen lagen dan naast elkaar, met de steven tegen de wal. De "Jansje" inderdaad naast of bij de brug, gelijk de advertentie aangeeft en de Rotterdamse concessie uitwijst. Op de foto ziet men bij de schuit een aantal mensen. Met het postkantoor en de mail-boot van de firma Ruys een bewijs, dat wij allemaal communiceren en converseren moeten.

Gelijk gezegd werd de "Jansje" niet in de publiciteit gebracht. Ook omtrent de werf van de heer A. Pannevis , de kiellegging en de tewaterlatingen daar ontbreken de berichten. In die tijd van vrijhandel had de overheid met dit soort zaken minimale bemoeienis. Hoe groot de belangstelling dus al dan niet te Maassluis geweest is, is met behulp van de krant niet na te gaan. Op de desbetreffende gemeenterekening komt men ook geen post tegen wegens ontvangen havengeld van de "Jansje". De havengelden zijn dan in totaalposten verantwoord. Zou de "Jansje" dus niet in de haven liggen en in slopershanden zijn gekomen, dan zou de plaatselijke geschiedschrijver, die zich slechts met de overheidsarchieven zou willen bemoeien, stellig aan dit alles zijn voorbijgegaan, gelijk eerder door een gezaghebbend man om deze reden geen aandacht werd geschonken aan de werf van de heer Pannevis te Alphen aan de Rijn.

Wat is nu interessanter, de koffiemolen of de nagedachtenis aan oma?

Mogelijk is de verwondering te Maassluis minder groot geweest dan elders in overeenkomstige gevallen. Immers werd aldaar op 11 oktober 1899 op scheepswerf "De Volharding" de kiel gelegd voor een petroleum-motorschuit, voor rekening van de heer J. Rinse Jz.  te Amsterdam. Dit gebeuren viel dicht bij huis. Men kon gemakkelijk de toekomst tegemoet gaan en zijn zorg ook aan andere zaken geven, naast het regelmatig bezoeken van de werf te Alphen, waar de "Jansje" in aanbouw was. Dat dit ook geschiedde, blijkt wel uit de papieren. Toen op 25 januari 1899 te Sneek de 36ste Algemene Vergadering der Schippersvereniging Schuttevaer werd gehouden was daar ook een adres van de afdeling Maassluis behandeld worden. Dit verzoekschrift bracht drie punten onder de aandacht en wel het Bestuur uit te nodigen: 1e bij de bevoegde autoriteiten er op aan te dringen, te beschikken, dat baggermachines, wanneer zij in werking liggen in de Nieuwe Waterweg van Rotterdam naar zee van betere verkenningsseinen moeten zijn voorzien, 2e te verzoeken, dat de kunstdam aan de monding van de rivier wordt voorzien van bakens, 3e bij de gemeente Rotterdam te klagen over de toestand in de mond van de Leuve-haven en verbetering voor te stellen door verwijdering der sleepboten aldaar, dan wel meerdere opening.

Dat waren punten waarmede Schipper van Baalen zich kon verenigen en waar hij warm voor liep. De weg vrij van de Noordzee tot in de Blaakhaven. Berg-je!

En de rijksautoriteiten? Die gaven gehoor. De punten één en twee behoeften feitelijk niet meer op de vergadering behandeld te worden, want de afdeling had nog een tweede mededeling gedaan. Daarin stond dat de bevoegde autoriteit reeds een onderzoek had ingesteld. Wat de derde zaak betreft: Rotterdam erkende de bezwaren, doch was van mening, dat opheffing van deze ligplaats voor de schippers groter ongerief zou brengen.

We zijn weer een jaar later. 24 mei 1900. Hemelvaartsdag. Ook de verjaardag van Coenraad Gideon van Baalen , de zoon van Gideon van Baalen, de oude schipper, die eveneens dan nog in leven is. Dat werd een drukke feestdag, met een tafel beladen met een keur van spijs en drank, met koek, gebak en limonade, chocolade en sigaren. Een dag ook met gebed en dank en zeer veel psalmgezang.

Waarover spraken zij? Over de dingen van de dag, over het heden, het verleden en de toekomst. Dat was heel wat. Let maar op.

Het N.J.V. (Ned. Jongeren Verbond) hield die dag en daags daarvoor, onder voorzitterschap van de heer B.J. Gerritson Jz . zijn 47ste jaarlijkse algemene vergadering. De gereformeerde jongelingen kwamen te Groningen bijeen onder voorzitterschap van Ds. J.E. Vonkenberg . De heer Dr. H.H. Kuyper  van Amsterdam, een zoon van Doctor Abraham Kuyper , de bekende journalist, staatsman en theoloog, wiens wieg ook eens te Maassluis gestaan had, hield een voordracht over heroisme en betoogde, dat Augustinus en andere kerkvaderen, Calvijn, Luther en vele zendelingen helden waren geweest omdat zij geheiligd waren door de genade Gods. In de Martinikerk sprak 's avonds Ds. C.W. van Lummel , predikant te Delft.

Helden. Het moet Gideon, die, zoals dat heet, bij de Schrift leefde en nogal naamziek was, wel hebben aangesproken. Immers: Gideon, strijdbare held, de Heere is met U, las hij in Richteren 6:12. Daar las hij nog veel meer, ook van Vrede. De jongeren en jongelingen waren van mijn generatie van mijn vader Jacob (*1880), de eerste, als zijnde de oudste in jaren, machinist van de "Jansje".

De "jongens", wier verrichtingen de oude Gideon met belangstelling gade sloeg, waren zijn beide zoons, de Gebr. van Baalen van de advertentie. Dus een oudere generatie, dan zij, wier "natuur- en tijdgenoten" elders in toogdag bijeengekomen waren.

De jongste van de twee, eveneens Gideon geheten, de secretaris van de Maassluise afdeling van Schuttevaer, geboren op oudjaar 1852 en dus ruim zeven jaren jonger dan Coen, die wij voortaan Coen van 1845 zullen noemen, zou een aantal jaren later wegens uitbreiding der zaken, een tweede motorschuit de "Gideon" in de vaart brengen.

Van de geestdrift en de bezieling zijn wij echter schier onopgemerkt weer overgegaan op de materie. De oude Gideon werd te Maassluis geboren 8 december 1814 en overleed aldaar 23 november 1909. Zijn vader was Coenraad Jacobszn. van Ba(a)len , geboren te Brakel in 1768. Met zijn oom Peter (1727-1871) geboren eveneens te Brakel en genoemd naar zijn grootvader van moederszijde Peter Gijsbertsz. Hack , zalmvisser en marktschipper van Zuilichem op Gorinchem, was deze in 1811 eigenaar van een hoogaars of hengst groot 1 ton 77/94, gebouwd te Sliedrecht in het jaar 1804.

De functie van Coenraad voorgenoemd wordt in het jaar 1811 omschreven als "maitre d'un bateau de la peche a saumon". Ook was hij prikkenteller, benoemd in 1814 en spuiwachter van het prikkengat. Als spuiwachter volgde

hij zijn oom Peter op.

Gideon was eveneens prikkenteller en wel tot december 1866. De prik werd gebruikt als aas bij de kabeljauwvisserij. De Ijslandse visserij zowel als die bij de Doggersbank. Volgens een rapport over de economische toestand in Zuid-Holland uit 1817 werd de kabeljauwvisserij, en verder het zouten en drogen van deze vis, als een nog oudere tak van handel dan die van de haring genoemd. Dit rapport verbindt aan de  kabeljauwvisserij ook het nieuwe, zeer bewust, en schrijft ook, dat de kabeljauw eigenlijk op de banken van Terre Neuve (nieuwe aarde) thuishoort. "Vanwaar dan ook deze visscherij den naam wel eens van Terre Neufsche visscherij draagt." De in de tijd van het rapport gebruikelijke spelling heb ik maar aangehouden om te laten uitkomen dat een en ander inderdaad zo in bedoeld rapport staat genoteerd.

In de geboorte-akte van Gideon wordt Coenraad winkelier genoemd. Met de koophandel was hij dus eveneens bekend.

Te Dordrecht stond Coenraad bij vele kooplieden bekend als braaf en geschikt schipper, volgens schrijven d.d. 22 januari 1816 van de president van de Kamer van Koophandel aldaar, de heer A. Lacoste . Ook was hij "van goed zedelijk en onbesproken gedrag" naar het getuigenis d.d. 30 december 1815 der heren Wm. Nieuwenhuysen , J.S. Tichelman , H. Timmerman , A. van der Mare , J. van Straelen , Pieter Storm , M. van Loopik , Arij Roest , Gt. van Adrichem , Arij van der Drift , G. Richter , M. Dirkzwager  en Jb. Nieuwenhuyzen , allen te Maassluis.

Op de dag, op welke de meetbrief van de "Jansje" werd uit- en ingeschreven, werden aan de markt te Kralingseveer aangevoerd 47 winterzalmen en 33 zomerzalmen, die f.1,45 tot f.1,80 per half kilo opbrachten en 442 elften die f.0,70 tot f.1,60 golden, alsmede 1400 finten, die f.0,03 tot f.0,20 opbrachten.

Ook dit bericht had de aandacht. De ouderen herinneren zich de oude Coen nog wel als visser. Voor de reis naar Rotterdam begon, moesten toch altijd eerst nog even de aal- en palingfuiken gelicht worden. In deze eeuw betekende dat voor jonge Coen, Coen van 1917, een half uurtje eerder opstaan dan de anderen. Hij immers moest de fuiken dragen en toezien of er niets gebeurde. De jaren begonnen mee te tellen en de bewegingen werden minder soepel.

"De cijfers van het jaarverslag van de Kon. Ned. Petroleum Maatschappij tot een sterk achteruitgaande toestand aan. De produktie is sterk afnemende" leest men in de N.R.C. van 25 mei 1900. "De daling van de petroleumprijs neemt groter afmetingen aan. De enorme kosten hebben over her boekjaar 1899 bijna 1,5 miljoen gulden bedragen." De verkoop van deze aandelen en obligaties wordt dan ook aanbevolen door C. Rohling & Co. van welke heren aangehaalde mededelingen eveneens afkomstig zijn.

Coen van 1845 was naast schipper in hart en nieren visser. Wij hebben reeds gezien, dat zijn grootvader, naar wie hij genoemd was, aanvankelijk eveneens zalmvisser "als bedrijf" had. Het klinkt wat vreemd, wij zijn geneigd te lezen, dat hij zalmvisser was, dan wel, dat hij het beroep van zalmvisser had. Wie het voorgaande heeft gelezen, kan zich moeilijk voorstellen, dat dit lieden waren, die uren achtereen in stilte konden verkeren en toch was ook dit het geval.

Strijdbare held. Gideon van 1814 had een vurige geest. Zij die hem rond de eeuwwisseling gekend hebben, weten dit mogelijk ook van horen zeggen. Coen van 1768, zoon van Gozewina (Geusken) Spiering (de Well)  won bij zijn tweede vrouw Gideon, de vader van Coen van 1845. Gideon dankte zijn naam aan zijn grootvader van moeders zijde, die op zijn beurt de naam weer ontleende aan Annetje Gideons  Baeck (Baak) , wier behuwdevader Enge(l)brecht Pietrsz. (van) Kouwenhoven , schuttingman, d.w.z. zalmvisser was, penningmeester van de zalmvisserij en burgemeester van Maassluis. Men bedenke hierbij wel, dat in het woord schutting, schutten, d.w.z. beschermer ligt opgesloten.

Wij zijn reeds onopgemerkt genaderd in de tweede helft der 16e en het begin der 17e eeuw. De namen Baak en Geusken krijgen nu zo met het begrip Schans wat meer inhoud.

Enge(l)brecht Pietersz.  bovengenoemd was een kleinzoon van Mr. Allaert Enge(l)brechtsz . Deze pachtte reeds vóór 12 december 1557 met ene Jan Thonisz Molenaar  te Delft de visserij-rechten in de sluizen van Maeslanderhaven. Ook stelde hij de eerste schutting op zekere plaats nabij Zwartewaal. Deze plaats is uitgegroeid tot het tegenwoordige eiland Rozenburg met Blankenburg. Op de kaart ziet men hoe de toestand in 1648 getoond werd.

De moeder van Gideon van 1814 stamde in de rechte mans stam uit deze Mr. Allaert Enge(l)brechtsz ., de zoon van Engebrecht Hugensz. , die de eerste visbank had te "Maeslandsluys op ten dijck bij de Capelle" en daar "tot geryff van allen menschen" zalm en andere vis, steur, zeehond, bruinvis en elft begon te verkopen. Dat was in 1539.

In 1520 werd de kapel te Maeslandsluys met hetgeen daartoe behoorde overgedragen aan de Heren van de Duitse Orde, Balije van Utrecht. In 1620 ontving Fenacolius  de eerste gift tot opbouw van de Grote Kerk van Jonas Cabeliau . In 1539 begonEngebrecht Hugensz.  naast de kapel, de vis te verkopen "ten gerieve van alle mensen". In 1639 werd de Grote Kerk te Maassluis in gebruik genomen. We vinden dus tweemaal een periode van honderd jaar.

Zij die hier bij "vis verkopen" aan iets meer kunnen denken, en wel aan Jesaja 55 en aan de wonderbaarlijke spijziging der vijfduizend (Matt 14:13-21) varen in goed gezelschap.

De afkorting Mr. voor de naam Allaert Engebrechtsz . zou ik willen lezen als magister. In deze voorstelling van zaken hebben wij hier dan te maken met de "hovemeester" of om een Engelse benaming te gebruiken met "the father of the chapel".

Fenacolius  was een dergelijke figuur. Men sprak dan ook van "Vader Fenacolius s". De akte van beroeping, de beroepingsbrief van Fenacolius, is als eerste ondertekend door een zoon van Mr. Allaert Engebrechtsz . en wel door Pieter Allaertsz . Deze was weer de vader van Engebrecht Pietersz. Kouwenhoven , de schoonvader van Annetje Gideons  bovengenoemd. Zij was, om het nog iets nader te bepalen, de vrouw van zijn zoon Mathijs. (Vlg. A. Bijl Mz. Genealogische en Heraldische Gedenkwaardigheden in en uit de Grote Kerk te Maassluis blz.146/148.)

Van deze Annetje Gideons , die woonde in de Ankerstraat hoek Olivierstraat, wordt vermeld, dat zij haar zinnen soms niet wel machtig was. Het staat merkwaardiger wijs zo, uitvoerig, in de transportakte vermeld. Had men ook ter plaatse kennis van de paradoxale uitspraak die Plato Socrates laat doen, dat het hoogste goed dat de mens bereikt dank zij de waanzin. (Vgl. Fred. Polak, De Contraclub van Rome, Amsterdam 1972, blz. 39). Mogelijk wel. Immers de heren van de R.D.O. leefden volgens de regelen van Augustinus. Fenacolius  was een geleerde. Hij vertaalde o.a. De Civate Dei van Augustinus en wat evenzo van belang is, hij was niets slechts bevriend met de familie van Annetgen Gideons ' man, ook de woorden op de zerk die het familiegraf van deze Kouwenshovens dekt herinneringen aan de kerkvader. Op deze zerk bevindt men bovenaan op een banderol "Ick rust in Godt" en verder is later ingehakt: "Dit graf hoort toe Anntien Gedeionsdochter."

De eerste uitdrukking is typisch ontleend aan de kerkvader: "Gij hebt ons tot u gemaakt en ons hart is onrustig tot dat het rust in U."

Zoëven noemde ik de naam vanJonas Cabeliau . De naam Jona vindt men in verband met de haven van het tegenwoordige Maassluis reeds genoemd ca. 1280: Jan Jonassone . Vervolgens in 1285: Jonas Terse : en dan in 1336: Jan Jonysz .

In 1597 zeilde een broer van genoemdeJonas Cabeliau  t.w. Abraham Cabeliau  als commissaris-generaal met de schepen, de "Jonas" en de "Zeeridder" naar Brazilië.

Op het Visserij-bord in de Grote Kerk, daar aangebracht in 1649, vindt men de naam Iona weer terug. Verder vindt men het aan de deur, die toegang geeft tot de preekstoel een koperen knop in de vorm van een vis, waaruit de profeet, in gebedshouding tevoorschijn treedt. Opmerkelijk deze beeltenis en die van " de Bouwmeester" in de consistoriekamer, wanneer men bedenkt, dat de schoonvader van Jonas Cabeliau  de beeldbrekers van 1566 de Baarpoort te Oudenaerde ontsloot, zodat deze de stad konden binnenstormen.

Mochten de vooruitzichten wat betreft de petroleum-industrie aan het begin van deze eeuw niet onverdeeld gunstig worden beoordeeld, de heren Rohling & Co. zetten zich zelfs in om bekommerden te helpen, het zondagsblad van de N.R.C. van 27 mei 1900 bracht een blijde mare. A.L. Poortman , rederij en vishandel te Maassluis, gevestigd naast het Rotterdamse Veer, de buurman zo gezegd, adverteerde daarin met Nieuwe Hollandse Haring. De loggerschepen "Oranje Vrijstaat" en "Transvaal" waren naar de Westkust van Schotland -Castlebay en Stornoway- ter haringvisserij uitgezeild. Over enkele dagen verwachtte de adverteerder de eerste zending puike nieuwe volle- en maatjes­haring. Deze waren dan te leveren in hele, halve en kwart tonnen en in hout of blik fust inhoudende ongeveer 100, 50, 25, 18, 12 en 6 stuks.

De haringrace was begonnen. Op 28 mei kwam de tijding binnen, dat de "Oranje Vrijstaat", Ma 121, schipper J. Westerduin , rederij A.L. Poortman , via Stornoway de eerste vangst nieuwe haring naar Maassluis had afgezonden. Het Rotterdamsch Nieuwsblad van 30 mei wist te berichten, dat de zending groot was 2 ton en dat deze vaten via Harwich naar Maassluis zouden gaan en daar tegen donderdag verwacht worden.

Verder volgde de mededeling, dat van de firma M. Dirkzwager  Gzn. eveneens een ton haring onderweg was en dat dit kantoor drie schepen had, die eveneens nabij Stornoway viste.

Twee dagen later, 1 juni 1900 bracht genoemd Nieuwsblad het grote nieuws: haring door de "Oranje Vrijstaat"  bij Stornoway gevangen was die dag de beide koninginnen aangeboden: H.M. Koningin Wilhelmina en H.M. Koningin Moeder Emma.

De haring spant de kroon.

Welke rol heeft nu de "Jansje" in dit gebeuren gespeeld? Dit is niet duidelijk geworden. Wijlen de heer Joh. Poortman  heeft mij destijds wel verteld, dat de komst van de motorschuit "Jansje" oorzaak is geworden, dat de prikken, die altijd met grote zorg behandeld werden, het veld moesten ruimen voor koelever. De verse vis (=kabeljauw) vangst met koelever verliep even best als voorheen, zo niet beter, met de prikken en leverde een grote besparing op. De prikken werden namelijk naar zee meegenomen in zeer schoon rivierwater, dat in beweging moest gehouden worden bij rustig weer. Dit was het werk van de prikkenbijter. Deze gebruikte hiervoor een pols (stok). Zijn naam ontleende hij aan het feit, dat hij de prik moest doorbijten aleer deze voor de loggerschipper in stukjes aas werd gesneden. Een vijg toe, verzoette hier de arbeid.

De houten en ijzeren logger zijn verdwenen. Zij die de juiste toedracht hebben geweten, zijn mogelijk reeds allen overleden. Wel doet de oude "Jansje" nog dagelijks haar dienst, doch zij kan niet spreken op deze wijze, dat men dit van haar te weten komt, hoewel zij toch een beeld is van een sprekend verleden.

Toen de eerste "machinist" bode, incasseerder en boekhouder van de "Jansje", mijn vader, inmiddels schipper geworden in 1931, overleed, was de oude Coen van 1845 nog in leven. Onder hen, die kwamen condoleren was ook de heer A. Wagner , vader van de tegenwoordige president-directeur van de N.V. Kon. Ned. Petroleum Maatschappij, de heer Mr. G.A. Wagner en natuurlijk de moeder van de tegenwoordige directeur van Shell-tankers, de heer D. Rodenburg . Deze laatste deed dit in de eerste plaats ten huize van haar nicht van moederszijde, d.w.z. ten huize van mijn grootmoeder Slot, die een dochter was van Gerritje Stigter , weduwe Johannes van Heyst

De vader van deze Mevrouw Rodenburg was de heer L.P. Buitelaar , stal- en veehouder, herbergier in uitspanning "De Zon", pachter van enige landerijen van de heer s' Jacob, burgemeester van Rotterdam.

Haar moeder, Buitelaars eerste vrouw, Maartje Stigter , was een volle zuster van genoemde Gerritje Stigter

Dit moet hier wel vermeld worden omdat wellicht bij deze of gene de vraag zal rijzen hoe men dit nu allemaal kan weten. Nu, dat dankt men nu aan de krant en aan het bezoeken en raadplegen van openbare archieven. Dit is dus een vrucht van de democratisch zo zeer gewenste openbaarheid.

Deze kwam ook op dinsdag 6 juni 1900, dus op de derde pinksterdag, op de dag van het bloemetjes kijken, tot uitdrukking. Op die dag werd te Rotterdam, aan de Malthenesserlaan het nieuwe archiefgebouw geopend. Men leest dat dit gebouw voltooid werd 31 augustus 1899 en dat met de bouw ervan werd begonnen 5 april 1898, een en ander volgens raadsbesluit van 24 juni 1897. "Heel mooi zijn de vensters in de bovenverdieping met hierin Irismotieven", schrijft het Rotterdamsch Nieuwsblad. De redacteur maakt de lezers verder attent op de symbolische voorstellingen in dit gebouw en legt o.m. een relatie met het Witte Huis (te Rotterdam). Het blad deelt nog mede, dat het gebouw er kwam met behulp van een commissie van bijstand. Voorzitter van de commissie was de heer Jhr. F. van Citters , naar het schrijven van genoemd blad.

De naam Van Citters moet in die dagen ook bekend zijn geweest bij hen, die zich voor vragen, die met het vervoer van petroleum samenhingen, ernstig interesseerden. Immers blijkens "De Ingenieur" (1898, blz. 277) kwam er een rijkscommissie tot het ontwerpen van voorschriften omtrent vervoer, opslaan, verkoop en gebruik van petroleum. Bij beschikking van 17 mei 1898 werd Secretaris van deze commissie Jhr. S. van Citters , hoofdcommies van het Departement van Waterstaat, Handel en Nijverheid te 's Gravenhage.

In de hal van het Rotterdamse archiefgebouw vindt men de naam van de voorzitter van de commissie van bijstand, de heer Jhr. F. van Citters  terug met die van de andere heren waaronder die van de heer Ir. F.B. 's Jacob , burgemeester van Rotterdam. De naam 's Jacob herinnert mij, oud-archivaris van Maassluis aan het Noord-Nieuwland aldaar. Aan "het ruige huisie", Van de dagen van Jonas Cabeliau  en die van Daniel van de Merwede , aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten en aan de zoen van Delft.

De aandachtige lezer van het kranteartikel, met mogelijk alleen maar lagere school, wordt geïnformeerd, dat de bouw een tijd van voorbereiding is voorafgegaan en dat de benodigde middelen op democratische wijze zijn verkregen. Zijn fantasie kan het verhaal dan verder aanvullen. Hij kan het gebouw zien als een geschenk van de burgerij aan de jarige vorstin als een produkt van het zegenrijk.

a) Is hij bovendien een kenner van de lokale historie dan weet hij, dat de Malthenesserlaan in verband staat met het huis Rivieren nabij Schiedam en weet hij wellicht ook, dat de heer van Malthenesse, bedoeld is Adriaen , in 1594 huwde met Odilla  dochter van Jhr. Reinier van Aeswijn , heer van Brakel ect. trezorier-generaal van de Unie der Verenigde Nederlanden, in de dagen van degraaf van Leicester

 

Coen van 1845 was genoemd naar Coen van 1768 te Brakel geboren als zoon van Jacob, de zoon van Steven. De naam Jacob kwam hier van Jacob Ghijsbertsz . van Braeckell , schout tot Brakel, dijkgraaf aldaar, schatbeurder en schepen in de Hoge Bank van Zuilichem, gestorven 7 september 1598. Diens dochterAnneke huwde vóór 20 november 1607 met Anthonis Gerardsz. (Van Baelen)  en Baetgen Gerardsdr .

Jacob vertegenwoordigde van Anneke af gerekend de zesde en Coen de zevende generatie. Jacob Ghijsbertsz . bovengenoemd zegelde met het bekende wapen van Brakel met de twee afgewende zalmen en de negen herkruiste kruisjes met lange spitse benedenarm, waarvan 3 rechts, 3 links en drie tussen de vissen.

  N.B. Dit wapen is als zodanig, dus wat betreft de voorstelling, het oudst gevonden wapenzegel en gaat terug tot voor de kruistochten.

Gerard Anthonisz bovenvermeld, gezworen gerichtsman te Brakel, visser en dienaar van de heer van Brakel, Jonkheer Reinier van Aeswijn , trezorier-generaal der Unie ect. eerder genoemd, zegelde 12 maart 1597 (oude stijl) met een swastica in een schild zonder helm en dekkleden.

Coen van 1845 is te Maassluis in zijn geboortehuis in de Schans, toen reeds officieel en thans zeker bij het publiek beter bekend als Marnixkade 3, overleden 17 juni 1933. Uit dit voorgaande is gebleken, dat met recht gezegd kon worden, dat het vissen hem in het bloed zat. Hij behoorde nog tot de oude voortrekkers. Mogen wij geloof schenken aan de economische historie schrijvers tot de mensen uit onze oergeschiedenis, die zich bezighielden met jacht en visserij.

Het Rotterdams Jaarboekje- en wel Derde reeks, 6e jaargang 1928, weet te melden, p(agina) XXXI: 7 juli: "De heer C.G. van Baalen is 70 jaar in dienst op de beurtvaart Maassluis-Rotterdam"

De uitdrukking "in dienst" mag mogelijk vreemd schijnen, doch wanneer wij even terugrekenen,komen wij al spoedig tot de conclusie, dat hij in 1858 dertien jaren oud was. Zo gezien diende hij eerst zijn vader, vervolgens zijn vrouw en kinderen, daarna meer speciaal zijn beide zoons Jacob en Willem en altijd het publiek. Pro Patria-Voor het Vaderland!

Daarbij bedenke men, dat hij met zijn betrekkelijke kleine schuit altijd te maken had met "grote jongens". Dit is wel duidelijk geworden bij de beschrijving hoe tegen een Lloyd-boot werd opgeklauterd. Het dienen is in de Rotterdamse haven een eerste vereiste. Het zelfportret van Phs. van Ommeren  N.V. in mei 1963 verspreid heeft dan ook de titel: "U edele Dienstwillige Dienaar"

"Pro Patria": naam van een lokaal aan de Scheepmakershaven te Rotterdam, waar de "Vereeniging van beurtschippers en hun gezellen" in 1899 in vergadering bijeen was ("Schuttevaer d.d. 16 september 1899, no.28). Te Maassluis sprak men in de officiële stukken van "de stierman" dit is iets anders dan ons stuurman. Men redigeerde alzo overeenkomstig de regels van het "Oud Vaderlands Recht". In het jaarboekje is de naam van de jubilaris met één a geschreven. Dit is in overeenstemming met de geboorte-akte.

In het leven doen zich vreemde zaken voor. Het jubileum, boven gememoreerd, is mijn herinnering ontgaan. Men zegt, dat de kleinkinderen op die dag limonade en gebak hebben gekregen. Hierboven is reeds gezegd, dat de verjaardagen feestelijk gevierd werden, doch een dergelijke traktatie door-de-week was toch wel iets bijzonders. Daarbij komt, dat ik een uitgesproken niet-snoeper was en bij de presentatie van het gebak veelal drama's maakte met de argumentatie van zulke vette spijs hoofdpijn te krijgen. Een soort baas-in-eigen-maag standpunt. Het is dus niet uitgesloten, dat ik geheel buiten de affaire ben gehouden. Fanfares zijner in elk geval te Maassluis ter gelegenheid van dit jubileum niet gegeven, althans niet zulke waar de jubilaris zelf werd toegesproken ten overstaan van een breed publiek. Dit zou ook een moeilijke aangelegenheid zijn geweest, al was het alleen maar om de reden, dat Coen van 1845 doof was, zo doof, dat hij met moeite aan te spreken was door een slang met hoorn. Het lukte mij nimmer meer dan een paar woorden daardoor te uiten. Wel is de mogelijkheid aanwezig, dat ter ere van het gememoreerde feit te Rotterdam op die dag op twee verschillende plaatsen concerten zijn gegeven. De bewijsvoering is nogal ingewikkeld en waar mij gebleken is, dat het aantal jaren van zeventig bij de drie direct nog in leven zijnde dochters, bezwaren oproept, laat ik dit liever achterwege.

Deze drie dames, mijn tantes dus, weten wel te verzekeren,dat op die dag de burgemeester, wijlen de heer C.P.I. Dommisse  met de gemeentebode, wijlen de heer J. Dammer  een bezoek gebracht heeft. Daarbij is, het mag menigeen gezocht toeschijnen, gesproken over de kleuren van de Maassluise vlag, blauw-wit-blauw.

Het cadeau van de kleinkinderen was, naar ik nu sinds enige tijd weet, een barometer. Op die barometer vindt men een groen-glazen bol. Groen-wit-groen zijn de Rotterdamse kleuren.

 

Groen is de kleur van de ministerialiteit. Het "in dienst" zijn krijgt voor hen die hiervoor gevoelig zijn zo toch weer een diepere betekenis. Het is duidelijk, dat zij, die groen slechts als kleur der hope herkennen op dit punt gekomen het beste er maar van blijven hopen.

Hoe ben je nu op die gememoreerde mededeling gekomen? Dit zit zo. Van een koperen plaatje, aangebracht in de "Jansje", op een plaats zodanig, dat je, het vooronder binnenging, dit wel moest opmerken, herinnerde ik mij de naam van de bouwmeester, de reeds genoemde A. Pannevis . In de verwachting meer omtrent de "Jansje" aan de weet te komen, vooral om de juistheid te verifië­ren van dat dit schip het achtste petroleum-motorschip was, dat in de Rotterdamse zeehavens voer, meende ik een reis naar Alphen te moeten maken en een onderzoek te plaatse te doen. Op de secretarie werd ik niet veel wijzer. De bevolking hielp mij echten op weg door de naam van een nog in leven zijnde dochter te noemen. De weg leidde vervolgens naar Nijkerk. Hier werd mij een Delfts blauw bord getoond met een afbeelding van de "Vigilanter". Dit bord werd op 20 juni 1927 door het personeel der werf de eigenaar als souvenir aangeboden. Op die dag "bestond" de werf veertig jaar. Een verslag in "De Rijnbode" van 22 juni 1927, 55e jrg. no. 4640 bevestigde een en ander. Degenen die het bord tevoorschijn haalde liet zich de naam Van Beuningen ontvallen. Met gebruikmaking van de bibliotheek van het Maritiem Museum "Prins Hendrik" te Rotterdam was in Lloyds Register of Yachts 1928 de registratie van dit jacht te vinden en wel op pagina 522 onder nummer 6408. Als jaar van aanbouw wordt daar vermeld 1926. Ook wordt de werf genoemd. Dit is wel belangrijk, want zo'n plaatselijke krant is niet altijd even makke­lijk te achterhalen. Oude jaargangen zijn veelal in zeer beperkt aantal bewaard gebleven. Dit ondervond ik bij mijn pogingen om "Schuttevaer" op het spoor te komen. Daarvoor kwam ik ten slotte terecht in Assen bij de uitgever. Doch eer ik zover was doorgedrongen, had ik wel enige hilariteit veroorzaakt bij het in vrij grote getale aanwezige kantoorpersoneel. Informeren naar een oude krant. Een oude krant, die gooi je weg. Op de redactie werd ik zeer vriendelijk ontvangen en zo kwamen de aan het begin van dit opstel reeds naar voren gebrachte advertenties te voorschijn. Ook kwam ik op deze reizen in het bezit van het boekje "Zand, Grint en Ijsselmannen". Dit boekje werd in 1970 uitgegeven door de Kon. Schippersvereni­ging Schuttevaer afd. Ouderkerk a/d/ Ijssel en omstreken ter gelegenheid van het twaalfde lustrum 1910-1970. In dit boekje b) vond ik de naam van de heer C. Brouwer , destijds hoofd van de Chr. School aldaar, zoon van de heer Piet Brouwer , wiens adres te Maassluis zeker nog bij vele lezers bekend was.

We moeten nog even terug naar Lloyds Register of Yachts. Was het alleen maar om de draad weer op te vatten. De "Vigilanter" was ook al weer te Rotterdam achter de horizon verdwenen. Althans bij de mensen, die je op zo'n moment in een grote stad bij de hand hebt. Het doornemen van kranten is dan ook weer niet zo gemakkelijk, want die zijn ook al in de jaren van voor de tweede wereldoorlog van een behoorlijke omvang. De meest voor de hand liggende oplossing is dan wel in zulke gevallen, waar het gaat om een zo bekende persoonlijkheid als de heer D.G. van Beuningen  toch eenmaal was, het ter hand nemen van het Rotterdams Jaarboekje. Het aantal posten is zeer beperkt, daar zeker niet elk persoonlijk feit hierin wordt geregistreerd en gememo­reerd.

Het tegendeel is waar.

Lloyds Register of Yachts 1928 gaf zo aanleiding te besluiten in een klein interval rond het jaartal te gaan werken. Op deze wijze kwam dus het zeventig-jarig dienstverband van de grootvader voor de kleinzoon openbaar. Uiteraard slechts een flits in een lange keten van oorzaak en gevolg.

De "Vigilanter" ging de beroemde hoogaars de "Margaretha" vervangen. In de vergadering van 23 februari 1927 deelde B. en W. van Rotterdam de Raad mede, dat de eigenaar, de heer D.G. van Beuningen , dit schokkerjacht ten geschenke had aangeboden ten behoeve van het onderwijs aan de zeevaartschool.

Na het overlijden van de heer D.G. van Beuningen  herinnerde de heer Mr. K.P. van de Mandele  aan beide schepen in zijn "In Memoriam D.G. van Beuningen", opgenomen in genoemd jaarboek 1956, blz. 165 vgl.

In dit ter gedachtenis ook deze zinsnede: Daar stond Van Beuningenallemaal achter en al evenzeer achter de kloek L.Smit  en Co's Internationale Sleepdienst met de beroemde zeeslepers van Lels en de zijnen, in welke combinatie Van Beuningen een deel aan had.

Het leek mij goed deze zin in zijn geheel over te nemen. Het verhaal van de oude "Jansje" te vertellen zonder de namen L.Smit  & Co., Lels, Van der Tak en Stal  te noemen zou grotelijks te kort doen aan allen, die naast het loodswezen, met dit scheepje dagelijks hebben meegeleefd.

Vigilanter. Het woord wijst heen naar de wachtershutten, waaruit Maassluis volgens de Nederlandse Stads- en Dorpsbeschrijver van 1793 haar oorsprong had.

Toen de oude Coen van 1845 werd bijgezet, in juni 1933, werd aan zijn graf het woord van Job 38:28 aangehaald: "Heeft de regen een vader, of wie baart de druppelen der dauw?" Hij noemde zich een enkele maal "het wonderkind".

Zijn vader Gideon was meer gewend van bepaalde voorvallen aantekening te houden. Ook maakte hij bij gelegenheden verzen. Bij zijn aanstelling tot beurtschipper op Rotterdam in 1838 betuigde hij op deze wijze het gemeentebestuur van Maassluis zijn dank. Evenzo toen hij in 1841 zijn vader als beurtschipper op Dordrecht mocht opvolgen. Met het in gebruik nemen van de Nieuwe Waterweg in 1872 werd de regelmatige beurtvaart op Dordrecht beëin­digd. In het laatste jaarboekje van Dordrecht, dat dateert van 1871, vindt men zijn naam nog terug. Helaas is zijn voorletter verkeerd weergegeven en is een J. i.p.v. een G. afgedrukt. Hij had zijn ligplaats bij de Blauwpoort c) en voer slechts één maal in de veertien dagen en wel op donderdag.

Coen van 1768 overleed in 1856. Hij is dus ruim 83 jaar geworden. Zijn vader Jacob 86 jaar en zijn zoon Gideon bijna 95 jaar.

Deze Gideon schreef ook een zogenaamde ontboezeming onder de titel "Aurora", de opgaande zon. Een pottenbakker rijmde later:

            "Bij 't opgaan der Oranjezon

            kreeg Nederland een Gideon".

en voegde daar zijn spreuk op zijn aardewerkschotels de jaartallen 1813-1913 toe.

 

De oude Gideon was inmiddels overleden, in november 1909, doch op de nog bekende werf "'s Lands welvaren", waar weleer voor hem een marktschuit was getimmerd, eveneens een "Jansje", werd een bordje geslagen. Kende men wellicht daar ook de spreuk "non inferiora secutus" en wist men waar deze was te vinden? Dan kende men er wellicht ook het embleem van de zon en de zonnebloem tussen de twee ionische zuilen. Het bordje vond ik te Maassluis in de antiekhandel. Van het bestaan van een dergelijk bord had ik eerder niet gehoord. Zo heb ik het maar meegenomen en in mijn keuken opgehangen.

Later zag ik elders op twee verschillende plaatsen nog een onbeschadigd exemplaar.

Gideon schreef en maakte eigenhandig het bestek voor bedoeld schuitje. Het moest geschikt zijn tot vervoer van de fijnste granen. Hiermede zijn wij gekomen bij de differentiatie, die thans valt op te merken.

Het overslagbedrijf en de schuiten met alles wat daartoe behoort wordt thans verzorgd door Jacob, zoon van Willem van Baalen  en Catharina van der Velden.

Coen van 1917, eveneens een zoon van Willem, kwam in dienst na het overlij­den van mijn vader, zijn oom, in de moeilijke jaren van voor de tweede wereldoorlog. Hij is zich op het rollend wegvervoer gaan toeleggen. In feite heeft hij reeds zijn veertig-jarig jubileum van trouwe dienst er op zitten. Het is wel een fanfare waard. Oom Wim was geen studie hoofd, laat staan een boekenwurm. Als kind werd hij door zijn moeder zeer geliefd omdat hij zo goed houtjes kon hakken. Hij heeft heel wat karweitjes en zware karweien opgeknapt. Hij kon ongelooflijk goed stuwen, d.w.z. het in het schip bergen van goederen op zodanige wijze, dat ze de minste ruimte innemen en niet van hun plaats kunnen geraken. Bij het  zo gevarieerd pakket goederen moest dan ook nog rekening worden gehouden met de tijd die beschikbaar was, het tijdstip waarop de goederen bezorgd, dan wel afgehaald moesten (zouden worden). Hollen of stilstaan. Een groot aantal onbekenden op te lossen uit een aantal vergelijkingen met nevenvoorwaarden. Een computer in het hoofd, genaamd feeling, intuïtie. Het ging vanzelf, ondanks en soms ook met water, zonneschijn en smeer, geleid door het beginsel tot gerief van alle mensen. Hij overleed in 1962. Op de aankondiging van zijn overlijden las men: Zij worden nooit beschaamd die op Uw goedheid bouwen.

Vigilate Deo Confidentes. Waakzaam op God vertrouwend.

 

"Het Wonderkind". In Rotterdam stond dit wonderkind bekend als "ome Coen". Dat was typisch Brakels. Want bij "oom Coen" behoorde "Coentjes neef" en dan zat je goed.

Hem wordt in de mond gelegd, dat hij bij het zien van een kerktoren met kruis, zonder haan, gezegd zou hebben "het haantje der waakzaamheid zijn ze vergeten."

Een schip op het strand is een baken in zee.

Gods rijk openbaart zich met kracht.

Geen woorden maar daden!

Ds. Johannes Fenacolius  vertaalde dit in zijn tijd op deze wijze:

"Draagt elkanders last en vervult alzo de wet van Christus"(Gal. 6:2).

"Wee de mens wanneer hij valt en daar is niemand die hem opraapt"(Pred. 4:10).

De aangehaalde teksten zijn te vinden op de "Assurancie van Sluys". Deze werd de stierlieden voorgelezen en voorgehouden op 26 december 1613. Fenacolius  was hierbij gehoren, d.w.z. verkozen deken.

"Ende also deselfde int gemeen geapprobeert en(de) goetgevonden ondertekent" (met naam en handmerk). Datum van ingang "'s morgens mettersonnen opgang".

Volgens deze rekening begon met Kerstmis het nieuwe jaar. Deze assurantie kan beschouwd worden als het eerste sociale contract.

 

Jansje, Jannetje, Jan, Johannes.

In de winter komt men bijeen ter nagedachtenis van Johannes de Evangelist, de man die getuigde van het Licht dat hij gezien had. De apostel schrijft:

En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de hemel en de eerste aarde waren voorbij gegaan en de zee was niet meer.

En ik zag de heilige stad, een nieuw Jeruzalem, neerdalende uit de hemel, van God, getooid als een bruid, die voor haar man versierd is.

En ik hoorde een luide stem van de troon zeggen: Zie de tent van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen zijn volken zijn en God zal bij hen zijn, en Hij zal alle tranen van hun ogen afwissen, en  de dood zal niet meer zijn, nog rouw, noch geklaag, nog moeite zal er meer zijn, want de eerste dingen zijn voorbij gegaan. En Hij, die op de troon gezeten is, zeide: Ik maak alle dingen nieuw (Openb.21 : 1-5). Jan=Jona d) =duif. Jansje is zo "duifje". Sol Justitia Illustra Nos: Zonne der gerechtigheid beschijn ons!

Dankt, dankt nu allen God (Gezang 135)

 

D. van Baalen Zoelen

 

verschenen in de Maassluise Courant 31 december 1972

                 Nederlandse Historien 7e jaargang no.6-1973

 

a) Zie voor dit rijk: a. Het reeds genoemde Visserijbord in de Grote Kerk, b. het Schild van de rederijkers in de Govert van Wijnstichting en c. de mededeling bij Van Oudenhoven: Oudt-Holland, Dordrecht 1654, blz. 28, dat de naam zegen voor de viswant in gebruik bij de zalmvisserij ontleend zou zijn aan de grote zegen, die de Heer menigmaal deze visserij gegeven heeft. Hij verwijst daarbij eveneens naar Lucas 5. 

b) De schrijver van dit boekje is de heer C.J.W. van Waning , toen der tijd kapitein ter zee b.d., thans commandeur 

c) Tot de attributen van mijn vader behoorden  een blauw-wit geblokte zak "het zakje" en een ronde rieten mand met deksel en hengsels. Toen hij schipper werd nam hij in de kerk plaats op een kussen van groen laken. Ook dit was traditioneel. 

d)Vgl. Johannes 21 : 15-17 (Vert.Ned.Bijbelgenootschap en Staten vert.)